Beweren het land

  • Maak u op, wandel door dit land, in zijn lengte en in zijn breedte; want Ik zal het u geven. Genesis 13:17
  • Het land ook zal niet voor altoos verkocht worden; want het land is het Mijne, dewijl gij vreemdelingen en bijwoners bij Mij zijt. Leviticus 25:23
  • Alle plaats, waar uw voetzool op treedt, zal de uwe zijn; van de woestijn en den Libanon, van de rivier, de rivier Frath, tot aan de achterste zee, zal uw landpale zijn. Deuteronomium 11:24
  • En Hij voerde mij uit in de ruimte, en rukte mij uit, want Hij had lust aan mij. 2 Samuël 22:20
  • Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden der aarde tot Uw bezitting. Psalmen 2:8
  • Doch roepende tot den HEERE in de benauwdheid, die zij hadden, heeft Hij hen gered uit hun angsten;En Hij leidde hen op een rechten weg, om te gaan tot een stad ter woning. Psalmen 107:6, 7
  • En uw oren zullen horen het woord desgenen, die achter u is, zeggende: Dit is de weg, wandelt in denzelven; als gij zoudt afwijken ter rechter- of ter linkerhand. Jesaja 30:21
  • Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden. Mattheüs 7:7
  • Door het geloof is Abraham, geroepen zijnde, gehoorzaam geweest, om uit te gaan naar de plaats, die hij tot een erfdeel ontvangen zou; en hij is uitgegaan, niet wetende, waar hij komen zou. Hebreeën 11:8
  • En zie, Ik ben met u, en Ik zal u behoeden overal, waarheen gij trekken zult, en Ik zal u wederbrengen in dit land; want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik zal gedaan hebben, hetgeen Ik tot u gesproken heb. Genesis 28:15
  • Ziet, Ik zende een Engel voor uw aangezicht, om u te behoeden op dezen weg, en om u te brengen tot de plaats, die Ik bereid heb. Exodus 23:20
  • Doch ga nu heen, leid dit volk, waarheen Ik u gezegd heb; zie, Mijn Engel zal voor uw aangezicht gaan! doch ten dage Mijns bezoekens, zo zal Ik hun zonde over hen bezoeken! Exodus 32:34
  • Hij dan zeide: Zou Mijn aangezicht moeten medegaan, om u gerust te stellen? Exodus 33:14
  • Gezegend zult gij zijn in uw ingaan, gezegend zult gij zijn in uw uitgaan. Deuteronomium 28:6
  • En wandelden van volk tot volk, van het ene koninkrijk tot het andere volk;Hij liet geen mens toe hen te onderdrukken; ook bestrafte Hij koningen om hunnentwil, zeggende:Tast Mijn gezalfden niet aan, en doet Mijn profeten geen kwaad. Psalmen 105:13-15
  • Doch roepende tot den HEERE in de benauwdheid, die zij hadden, zo voerde Hij hen uit hun angsten.Hij doet den storm stilstaan, zodat hun golven stilzwijgen.Dan zijn zij verblijd, omdat zij gestild zijn, en dat Hij hen tot de haven hunner begeerte geleid heeft. Psalmen 107:28-30
  • De HEERE zal uw uitgang en uw ingang bewaren, van nu aan tot in der eeuwigheid. Psalmen 121:8
  • Nam ik vleugelen des dageraads, woonde ik aan het uiterste der zee;Ook daar zou Uw hand mij geleiden, en Uw rechterhand zou mij houden. Psalmen 139:9, 10
  • Ik zal voor uw aangezicht gaan, en Ik zal de kromme wegen recht maken; de koperen deuren zal Ik verbreken, en de ijzeren grendelen zal Ik in stukken slaan.En Ik zal u geven de schatten, die in de duisternissen zijn, en de verborgene rijkdommen; opdat gij moogt weten, dat Ik de HEERE ben, Die u bij uw naam roept, de God van Israel; Jesaja 45:2, 3
  • Daarom zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Hoewel Ik hen verre onder de heidenen weggedaan heb, en hoewel Ik hen in de landen verstrooid heb, nochtans zal Ik hun een weinig tijds tot een heiligdom zijn, in de landen, waarin zij gekomen zijn. Ezechiël 11:16